Het bestuursrecht gaat uit van het horen van een belanghebbende na het indienen van een bezwaar tegen een besluit. Door middel van het horen, vaak ten overstaan van een commissie voor de behandeling van bezwaarschriften, wordt aan de klager volledig gelegenheid gegeven om het bezwaar toe te lichten. De wet bepaalt dat de belanghebbende moet worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. De plicht om de bezwaarmaker te horen is essentieel en ook het horen van belanghebbenden die een zienswijze bij de voorbereiding van een besluit naar voren hebben gebracht is in de wet het uitgangspunt.

Van het horen van een belanghebbende kan soms worden afgezien, als het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk is, bijvoorbeeld door termijnoverschrijding of als het bezwaar op voorhand kennelijk ongegrond is. Als er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie dat de bezwaren ongegrond zijn kan van het horen worden afgezien. Als bij een uitspraak van de bestuursrechter of de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een eerder beslissing op bezwaar is vernietigd, bestaat er niet de verplichting om bezwaarmaker opnieuw te horen. Onder omstandigheden kan het uit een oogpunt van zorgvuldigheid wel noodzakelijk zijn. Samengevat kan worden gezegd dat het horen van een bezwaarmaker de essentie is van de bezwaarschriftprocedure en niet achterwege kan blijven. Doet een bestuursorgaan dat toch, dan moet een beroep worden gedaan op schending van het hoorplicht principe en dat zal vaak door de rechter worden gehonoreerd.