Blog

De gezamenlijke woning moet worden verdeeld. Of toch niet?

De gezamenlijke woning moet worden verdeeld. Of toch niet?

12-07-2022

De wet bepaalt dat je altijd verdeling kunt vragen van een gemeenschappelijk goed. Maar daarop bestaat een uitzondering die met de huidige woningcrisis van steeds groter belang wordt.

Deel dit artikel

Naar het overzicht

 

Stel, je bent samen met je partner eigenaar van een huis. Dat huis staat op jullie beider naam. Dit noemen we een ‘gemeenschap’. Jij en je partner gaan uit elkaar. Uiteraard heb je niet meer de behoefte om samen met je partner eigenaar te blijven van het huis. Het liefst verkoop je het huis zodat je met de (tegenwoordig vaak behoorlijke) overwaarde opnieuw kunt beginnen.

Als dit je wens is, heb je in principe het recht aan je zijde. Art. 3:178 lid 1 van ons Burgerlijk Wetboek bepaalt dat je niet gehouden bent om tegen je wil in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Je kunt dus met succes vorderen dat de woning wordt verdeeld, bijv. via verkoop. Maar wat nu als je ex-partner aangeeft helemaal niet te willen dat de woning wordt verdeeld?

Tot een aantal jaren geleden was het bijna onmogelijk om een gevorderde verdeling te verhinderen. De laatste tijd zien we echter steeds meer uitspraken van rechtbanken waarin het de ex-partner lukt om de verdeling te voorkomen. Dit heeft te maken met de huidige woningmarkt waarin gewoonweg te weinig vervangende woningen beschikbaar zijn.

Het voorkomen van een verdeling is mogelijk door een beroep te doen op art. 3:178 lid 3 van ons Burgerlijk Wetboek. Hierin staat dat een rechter steeds voor ten hoogste drie jaren een vordering tot verdeling kan uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van de ene partner aanmerkelijk groter zijn dan de belangen (van de andere partner) die door de verdeling worden gediend.

Voorbeelden zijn te vinden in twee recente uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland.

In de uitspraak van 4 mei 2022[1] stelde de vrouw dat zij met haar kinderen en pleegkind in de woning wilde blijven wonen. De vrouw kwam in aanmerking voor een sociale huurwoning, maar zij stond pas sinds begin 2021 ingeschreven. Daarmee zou zij voorlopig geen woning toegewezen krijgen. Als de vrouw geen geschikte woonruimte heeft, zou het pleegkind moeten worden overgeplaatst, hetgeen gevolgen zou hebben voor zijn welzijn. De rechtbank vond dit belang van de vrouw (en de kinderen) groter dan het belang van de man, die stelde de overwaarde van de woning nodig te hebben om een nieuwe woning te kunnen kopen met zijn partner. Gevolg: de woning mocht tot 1 juli 2023 (dus voor de duur van ruim een jaar) niet worden verdeeld (en de man zou gedurende die periode kennelijk dus geen andere woning kunnen aankopen).

In de uitspraak van 13 april 2022[2] wilde de vrouw juist dat de woning – waarin de man nog woonde - zou worden verkocht. Zij had een WIA-uitkering van slechts € 552,-- per maand en zou dus een aanvullende bijstandsuitkering moeten aanvragen. Dit wilde zij niet doen, omdat de gemeente haar alleen leenbijstand zou verstrekken, gelet op de aanspraak van de vrouw op de te verwachten overwaarde uit de woning. De vrouw stelde geen schuld te willen opbouwen bij de gemeente. De rechtbank vond echter toch dat de vrouw dit maar moest doen, mede omdat zij al lang stond ingeschreven voor een sociale huurwoning en dus waarschijnlijk maar beperkte tijd zou moeten lenen. De rechtbank zette dit af tegen de belangen van de man die pas 2 jaar stond ingeschreven voor een sociale huurwoning. Bij verkoop van de woning zou de man dus zijn aangewezen op huren in de vrije sector, hetgeen voor hem nauwelijks te betalen zou zijn. De man heeft bovendien de helft van de tijd de minderjarige kinderen bij zich (co-ouderschap) waardoor aan de zorgregeling geen uitvoering meer zou kunnen worden gegeven. Ook vond de rechtbank het van belang dat de man een beginnend ondernemer is die de woning nu nog niet kon overnemen (wegens gebrek aan jaarcijfers). Het bedrijf van de man loopt echter goed en de verwachting is dat hij voor 1 januari 2024 de woning mogelijk wel kan overnemen. Daarom wordt verdeling van de woning tot die tijd uitgesloten. 

Uit deze afspraken kun je afleiden dat een verkoop van de woning tegengehouden kan worden, mits daarvoor goede argumenten worden aangedragen. Een van deze argumenten is eigenlijk altijd dat aangetoond moet worden dat je niet over vervangende woonruimte kan beschikken (geen aanbod, te kort ingeschreven, te duur) etc., maar daarnaast moet er ook sprake zijn van een andere bijzondere voorwaarde. Dit kan zijn dat je de woning in de nabije toekomst wel kan overnemen, het belang van kinderen, het gegeven dat de andere partner zijn belangen ook kan nastreven bij behoud van de onverdeeldheid etc. De rechtbank zal de belangen steeds tegen elkaar afwegen.

Vragen over dit onderwerp? Neem contact met me op!

 

 

[1] Rechtbank Noord-Holland d.d. 4 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4559

[2] Rechtbank Noord-Holland 14 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3002

 

 
Mr. M.J. (Mirte)
van Lingen
+31 (0)72 515 55 44
+31 (0)72 515 54 93
vanLingen@rensenadvocaten.nl
Meer over Mirte