Blog

Het kettingbeding. De boete, opeisbaar of niet? [verbintenissenrecht]

Het kettingbeding. De boete, opeisbaar of niet? [verbintenissenrecht]

20-09-2019

Deze blog gaat over een zaak waarbij een kettingbeding ondanks een goede formulering en een boetebepaling niet werd doorgelegd. Is de boete opeisbaar?

Deel dit artikel

Naar het overzicht

Kettingbeding/erfdienstbaarheid

In een eerdere blog [https://www.rensenadvocaten.nl/blog/2018/05/24/het-kettingbeding/] beschreef ik het kettingbeding als een veelvoorkomend alternatief voor een erfdienstbaarheid. In bepaalde situaties, zo gaf ik aan, kan met een kettingbeding geregeld worden wat niet kan worden vastgelegd in een erfdienstbaarheid. Ik schreef hoe belangrijk het is het beding goed te formuleren en waarom een boetebepaling moet worden opgenomen.

Breken ketting

Zelfs als het kettingbeding goed is geformuleerd en er een forse boete op het breken van de ketting is gelegd en zelfs als een notaris in beginsel niet zou moeten meewerken aan het breken van de ketting, komt het toch voor dat de het beding door A niet aan B wordt doorgelegd.

Nakoming en onrechtmatige daad

Eerder schreef ik al dat van A nakoming kan worden gevorderd. Hij zal veroordeeld kunnen worden het kettingbeding alsnog op te leggen aan B. Dat heeft vooral zin als B daartoe ook wordt veroordeeld. Dat kan als hij onrechtmatig heeft gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van A. In de zaak die ik voor een cliënt behandelde, was precies dat aan de orde. En, zoals gevorderd, veroordeelde de rechtbank partij A en B alsnog mee te werken aan het helen van de gebroken ketting. Eind goed, al goed? Niet helemaal.

Boete

Cliënt had niet alleen gevorderd dat B het kettingbeding aannam, maar had ook betaling van de boete door A gevorderd. Cliënt verlangde die betaling (ook) omdat hij inmiddels een forse schadepost had. De rechtbank wees die vordering af en overwoog daartoe dat cliënt niet zowel nakoming kan vorderen van de verbintenis waarop het boetebeding ziet, als nakoming van het boetebeding zelf. Die overweging kon ik niet volgen. Ik heb cliënt geadviseerd in hoger beroep te gaan.

Anders dan de rechtbank, oordeelde het hof dat wel degelijk nakoming van de doorlegverplichting en nakoming van het boetebeding kan worden gevorderd. Daarmee stond in beginsel verschuldigdheid van de boete vast.

In hoger beroep voerde A echter ook nog aan dat het boetebeding heeft te gelden als algemene voorwaarde en dat die algemene voorwaarde onredelijk bezwarend is en daarom vernietigbaar is. Het hof was met A van mening dat het boetebeding inderdaad een algemene voorwaarde is, maar kwam tot het oordeel dat het geen onredelijk bezwarend beding is. Het hof oordeelde dat de boete een toelaatbare beding is, dat zowel geldt als (gefixeerde) schadevergoeding als een strafbepaling als prikkel tot nakoming.

A verzocht het hof ook de contractueel bedongen boete te matigen. Hoewel de wet voorziet in een matigingsbevoegdheid, overwoog het hof dat de rechter zich zeer terughoudend dient op te stellen omdat de trouw aan het gegeven woord voorop staat. Omdat de toepassing van het boetebeding in dit geval niet leidde tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat, was ook matiging niet aan de orde.

A werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde boete. Cliënt heeft veel geduld moeten hebben – procederen kost helaas veel tijd – maar heeft uiteindelijk wel gekregen waar hij recht op had. De ketting is hersteld, de boete toegewezen. Zo is het kettingbeding toch een waardig alternatief voor een erfdienstbaarheid gebleken.

Vragen naar aanleiding van deze blog? Stel ze gerust aan één de specialisten van Rensen Advocaten.

 
Mr. K. (Kasper)
Straathof
+31 (0)72 515 55 44
+31 (0)72 515 54 93
Straathof@rensenadvocaten.nl
Meer over Kasper