Blog

Het huidige belang van de in 1992 afgeschafte ‘buurweg’

Het huidige belang van de in 1992 afgeschafte ‘buurweg’

01-06-2018

Sinds de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (NBW) in 1992 is de buurweg afgeschaft en kunnen nieuwe buurwegen niet meer ontstaan. Tot de invoering van het NBW was van een buurweg sprake wanneer door eigenaren van paden, wegen of dreven daaraan een gemeenschappelijke bestemming als uitweg voor meerdere buren was gegeven. Hoewel de buurweg is afgeschaft blijven op grond van het Overgangswet NBW bestaande buurwegen wel gehandhaafd en, zo volgt uit de rechtspraak, leiden deze buurwegen nog steeds tot conflicten. In deze blog bespreek ik een recent arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Deel dit artikel

Naar het overzicht

De feiten

A is ruim 15 jaar geleden eigenaar geworden van perceel 1 en een vanaf de openbare weg bezien, daarachter gelegen perceel 2. Zijn grootvader heeft ten behoeve van diens moeder de percelen in eigendom verworven. De grootvader heeft in 1906 op perceel 1 een woning laten bouwen. Sindsdien is de woning - en het achtergelegen perceel 2 - in het bezit geweest van de familie van A. Op perceel 2 is door de vader van A een paardenstal gebouwd. Eind jaren zestig van de vorige eeuw is op dit perceel nog een schuur/garage gebouwd. Het perceel (1) waarop de woning staat is omsloten door een sloot. Om perceel 2 vanaf de openbare weg te kunnen bereiken wordt gebruik gemaakt van een loopbrug die perceel 2 met perceel 1 verbindt.

Om met auto en kar van perceel 2 van en naar de openbare weg te komen, wordt gebruik gemaakt van het naastgelegen perceel 3, welke in eigendom toebehoort aan B. Aan de achterzijde van dit perceel heeft lange tijd een draaibaar hek gestaan waardoor A en zijn rechtsvoorganger via perceel 3 op perceel 2 konden komen. In 2011 is dit draaibare hek verwijderd en vervangen door een schutting die de toegang van perceel 2 naar perceel 3 afsluit. A kan de garage op perceel 2 niet meer met zijn auto bereiken.

Oordeel rechtbank

A kan zich niet verenigen met de afsluiting van de toegang naar perceel 2 via perceel 3 en stelt een vordering in bij de rechtbank. Hij vordert herstel van de oude toestand door verwijdering van de schutting en terugplaatsing van het draaibare hek. De rechtbank echter wijst de vordering af en A gaat van dit vonnis in hoger beroep bij het gerechtshof.

Hij vordert voor recht te verklaren dat sprake is van een erfdienstbaarheid van weg, een buurweg dan wel van een noodweg.

Erfdienstbaarheid door bestemming?

In hoger beroept stelt A dat een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan door bestemming op grond van artikel 747 (oud) BW. A stelt dat beide percelen in 1868 nog in één hand waren en dat toen al gebruik gemaakt werd van de weg om bij het perceel 2 te komen.

Het hof volgt het betoog van A niet en overweegt: 

“Voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bestemming op voet van artikel 747 (oud) BW is vereist dat de eigenaar van tegenwoordig van elkaar gescheiden erven destijds die erven in zodanige feitelijke toestand heeft gebracht dat daaruit bij overdracht van een van beide erven een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid ontstond (vgl. HR 30 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2563, NJ 1999,477). Op grond van artikel 69 aanhef en sub a Overgangswet NBW blijven de voor 1 januari 1992 door bestemming ontstane erfdienstbaarheden hun kracht behouden na 1 januari 1992.

Ingevolge artikel 724 lid 3 (oud) BW zijn erfdienstbaarheden voortdurend indien zij worden uitgeoefend zonder dat daartoe telkenmale aan de zijde van de eigenaar van het heersend erf een handeling nodig is, welke rechtstreeks tot uitoefening van de erfdienstbaarheid strekt. Voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid van weg is naar haar aard telkens (hernieuwde) menselijke activiteit vereist, zodat in beginsel niet is voldaan aan het vereiste van voortdurendheid.“

Voor het maken van een uitzondering daarop (zoals aanvaard in HR 27 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2147, NJ 1997,496) ziet het hof geen aanleiding.

Erfdienstbaarheid door verjaring?

A stelt vervolgens dat een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan door (bevrijdende dan wel verkrijgende) verjaring.

Als uitgangspunt geldt dat een niet voortdurende en niet zichtbare erfdienstbaarheid (zoals die van weg) pas sinds de inwerkingtreding van het NBW door verjaring kan ontstaan. Artikel 3:99 BW brengt mee dat verkrijgende verjaring ontstaat na tien jaar onafgebroken bezit te goeder trouw. Daarvoor is nodig dat de verkrijger zich als rechthebbende beschouwt en ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. Dit betekent ten aanzien van erfdienstbaarheden in de regel dat sprake moet zijn van een akte van vestiging met een gebrekkige titel of leveringshandeling, althans van een beoogde akte van vestiging die door een fout van de notaris niet tot stand is gekomen (vergl. HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6588, NJ 2010, 294). Van een zodanige situatie is hier geen sprake, zo overweegt het gerechtshof.

Daarmee komt het hof toe aan het beroep op verkrijging via artikel 3:105 BW. Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Het hof volgt A niet in zijn stelling, het enkele gestelde ongestoorde en langdurige gebruik van de weg is daartoe onvoldoende, ook bezien in samenhang met de aanwezigheid van het draaihek aan het einde van de weg dat toegang geeft tot het perceel van A.

Buurweg?

In de derde plaats stelt A dat een buurweg is ontstaan.

In artikel 719 (oud) BW werd met betrekking tot buurwegen het volgende bepaald:

"Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidenen geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest."

In het BW (oud) was geen bepaling opgenomen met betrekking tot het ontstaan van een buurweg maar volgens de jurisprudentie ontstond een buurweg door de (subjectieve) bestemming die aan de weg is gegeven door de rechthebbende(n). De bestemming tot buurweg behoeft niet expliciet te zijn gegeven, maar kan ook worden afgeleid uit feitelijke omstandigheden, waarbij van belang kan zijn de wijze waarop de weg werd gebruikt. Dat neemt volgens het hof niet weg dat de beslissing over het bestaan en de omvang van een recht van buurweg moet worden ontleend aan de aan het betrokken perceel gegeven bestemming. Het enkele gedogen door of vanwege de eigenaar van een weg van het gebruik daarvan door een buurman, brengt nog niet met zich dat de weg tot buurweg wordt bestemd.

Bewijslast A

De bewijslast van het bestaan van een buurweg rust op grond van de hoofdregel op A. Hij moet bewijzen dat sprake was van ongestoord bezit van het recht van buurweg. A beroept zich op een aantal door hem overgelegde getuigenverklaringen. Hieruit volgt het beeld dat de bewuste weg de rechthebbenden van de twee percelen al ver voor 1992 gedurende zeer lange tijd tot uitweg heeft gestrekt.

De vraag is vervolgens of dat gebruik gebaseerd was op een persoonlijk recht of gedogen dan wel op een (subjectieve) bestemming van de weg tot buurweg door de rechthebbenden. Het hof acht in dit geval bewezen dat de opvolgende rechthebbenden perceel 1 en 2 zich hebben gedragen als bezitter van een recht van buurweg op het perceel 3, waarmee de subjectieve bestemming tot buurweg behoudens tegenbewijs gegeven is. Daartoe zijn volgens het hof de navolgende feiten en omstandigheden redengevend:

  • Het gebruik heeft zeer lang geduurd en werd gecontinueerd bij opvolgende eigenaren;
  • Diverse betrokkenen gingen blijkens hun verklaringen uit van het bestaan van "een recht", waarbij niet zozeer relevant is welke naam ("recht van overpad") zij -als leken- daaraan gaven;
  • Uit de verklaringen blijkt niet dat toestemming werd gevraagd door de rechthebbenden elke keer als zij de weg wilden gebruiken;
  • Het gebruik strekte verder dan men over het algemeen een buurman, die geen recht heeft, uit hoofde van goed nabuurschap ongevraagd pleegt toe te staan (het gaan, ook met gemotoriseerd verkeer, over een weg die geheel is gelegen op het perceel van nr. 10);
  • De positionering van de garage op perceel 2 helemaal achteraan het erf en de jarenlange aanwezigheid van het draaihek in plaats van een gewoon hek of schutting, waardoor het mogelijk werd gemaakt van de weg te komen en gaan van/naar perceel 2.

Daarmee is het bestaan van een buurweg volgens het hof gegeven. B krijgt nog wel de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren.

Verschil tussen erfdienstbaarheid en buurweg

Een buurweg is een verbintenisrechtelijk recht terwijl een erfdienstbaarheid een goederenrechtelijk recht is. De vordering tot erkenning en handhaving van een buurweg is dus een persoonlijke rechtsvordering en een buurweg hoeft niet te blijken uit de openbare registers. Kortom, staar u niet blind op het Kadaster: de feitelijke situatie kan hiervan afwijken!

Voor meer informatie over erfdienstbaarheden of buurweg, kunt u contact opnemen met een van onze specialisten Vastgoed.

Kim Hollenberg 

 
Mr. K. (Kim)
Hollenberg
+31 (0)72 515 55 44
+31 (0)72 515 54 93
Hollenberg@rensenadvocaten.nl
Meer over Kim