Blog

Art. 1:160 BW en het bewijs van samenwonen

Art. 1:160 BW en het bewijs van samenwonen

19-04-2016

Het is een onderwerp dat iedere keer maar weer terug blijft komen in de rechtspraak: de vraag of de ex-echtgeno(o)t(e) is gaan samenwonen met een ander.

Deel dit artikel

Naar het overzicht

De wet bepaalt dat de ene echtgenoot de andere echtgenoot na het huwelijk alimentatie moet betalen zolang deze echtgenoot daaraan behoefte heeft en er bij de betalende echtgenoot draagkracht bestaat. Art. 1:160 BW bepaalt dat deze alimentatieplicht (die in beginsel nog steeds 12 jaar duurt) eindigt als de ander gaat samenwonen als ware zij (of hij) gehuwd. Dit is een enigszins vaag begrip. Wanneer leef je samen als ware je gehuwd? In de rechtspraak is hier nadere invulling aan gegeven. Duidelijk is dat bewezen moet worden dat er sprake is van 1) een duurzame affectieve relatie, 2) samenwoning, 3) een wederzijdse zorgplicht en 4) een gemeenschappelijke huishouding.  

Het is aan de alimentatieplichtige om te stellen en te bewijzen dat zijn (of haar) alimentatiegerechtigde ex is gaan samenwonen als ware zij gehuwd. Dit is doorgaans ontzettend lastig. Een relatie en een samenwoning zijn doorgaans – zij het met de nodige dure rapporten van privé-detectives – nog wel te bewijzen, maar hoe kun je bewijzen dat je ex een gezamenlijke financiële huishouding met een ander voert? Daarvoor moet je immers inzage hebben in de financiën van een ander en dat heb je niet zomaar.  

De volgende casus van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 februari 2016 laat maar weer eens zien hoe moeilijk dit is. M en V gaan na ruim 20 jaar huwelijk scheiden. De rechtbank heeft een door M aan V te betalen partneralimentatie vastgesteld. M gaat in hoger beroep. Volgens hem woont V samen met haar nieuwe partner X als ware zij gehuwd en is op grond daarvan zijn onderhoudsplicht jegens V geëindigd. V erkent een duurzame affectieve relatie met X te hebben, maar betwist met hem samen te wonen in de zin van artikel 1:160 BW. 

Het hof overweegt als volgt. Uit het door M overgelegde rechercherapport blijkt dat V en X regelmatig gezamenlijk overnachten in het chalet van V. Daargelaten de vraag of de observatiebevindingen voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een samenwoning tussen V en X (mede gezien het feit dat X over zelfstandige woonruimte beschikt), is het hof van oordeel dat op grond van de observatiebevindingen onvoldoende vast is komen te staan dat sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Daarvan is sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (HR 22 februari 1985, LJN AG4967). 

Het hof is van oordeel dat M, gelet op de gemotiveerde betwisting door V, geen begin van bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat X bijdraagt in de kosten van de (al dan niet gemeenschappelijke) huishouding. Voor zover uit de observatiebevindingen al is gebleken dat V en X gezamenlijk inkopen hebben gedaan, is niet vast komen te staan dat X (structureel) heeft bijgedragen in de kosten daarvan. Hetgeen door M overigens is gesteld, is - gelet op de gemotiveerde betwisting door V - onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat V en X op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat M zijn stelling dat V samenwoont als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. 

Een teleurstellende uitspraak dus voor M. Het laat nog maar eens zien hoeveel bewijs er moet zijn alvorens een dergelijke procedure kans van slagen heeft.  

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 16 februari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:1421 en Vereniging Familierechtadvocaten en scheidingsbemiddelaars (vfas).

 
Mr. M.J. (Mirte)
van Lingen
+31 (0)72 515 55 44
+31 (0)72 515 54 93
vanLingen@rensenadvocaten.nl
Meer over Mirte