Blog

Retentierecht aannemer en onderaannemer

Retentierecht aannemer en onderaannemer

17-07-2015

Een retentierecht is de bevoegdheid van een schuldeisers om afgifte van een zaak op te schorten totdat de schuldenaar de vordering voldoet. Er zijn drie voorwaarden waaraan een retentierecht moet voldoen.

Deel dit artikel

Naar het overzicht

Een retentierecht is de bevoegdheid van een schuldeisers om afgifte van een zaak op te schorten totdat de schuldenaar de vordering voldoet. Er zijn drie voorwaarden waaraan een retentierecht moet voldoen: 1) de vordering moet opeisbaar zijn, 2) er moet voldoende samenhang bestaan tussen de vordering en verplichting tot afgifte van andermans zaak en 3) de zaak moet zich in de macht van de schuldeiser bevinden. Een beroep op een retentierecht is een machtig middel. De retentor heeft naast de bevoegdheid om de afgifte van de zaak op te schorten ook het recht van voorrang bij verhaal op de zaak. 

Bij roerende zaken laten voorbeelden zich makkelijk bedenken. De garagehouder houdt de auto vast totdat de factuur is betaald. Een juwelier geeft het horloge niet af, voordat voor het nieuwe horlogebandje is betaald. Maar ook in de bouw kan een beroep op een retentierecht voorkomen. De aannemer die voor opdrachtgever een werk opricht, heeft doorgaans een opeisbare vordering op opdrachtgever. Er bestaat een samenhang tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van de zaak en aannemer kan het werk in zijn macht hebben als er bijvoorbeeld bouwhekken om het werk staan en/of omdat aannemer de enige is die de sleutels heeft van een in aanbouw zijnd gebouw. Aannemer heeft de feitelijke macht, indien ontruiming nodig is om het bouwwerk of bouwterrein weer in de macht van de opdrachtgever te brengen. Aannemer kan derhalve het bouwwerk of bouwterrein onder zich houden totdat zijn openstaande posten zijn voldaan.  

Als aannemer in voorkomende gevallen een beroep op een retentierecht kan doen, kan onderaannemer van aannemer dat dan ook? En zo ja, wat betekent dat voor opdrachtgever? Een voorbeeld.  

Opdrachtgever A is eigenaar van een perceel bouwgrond en geeft aan aannemer B opdracht om voor hem een huis te bouwen. Aannemer B doet dat niet zelf, maar sluit een overeenkomst van onderaanneming met C. Onderaannemer C plaatst bouwhekken om het bouwterrein, zet bouwmaterialen in het in aanbouw zijnde huis en heeft daarmee de feitelijke macht over het bouwterrein. 

Opdrachtgever A betaalt de facturen van aannemer B. Aannemer B betaalt onderaannemer C echter niet en gaat op enig moment failliet. Onderaannemer C heeft een opeisbare vordering op failliete aannemer B. Onderaannemer C heeft de feitelijke macht over de woning en kan zich dan ook op een retentierecht beroepen. Dat retentierecht kan hij inroepen tegen de schuldenaar (aannemer), maar ook tegen derden met een jonger en ouder recht. Dus ook tegen opdrachtgever A, die eigenaar is van de grond. Dat heeft voor opdrachtgever A verstrekkende gevolgen. Onderaannemer C kan zich immers op de zaak verhalen. Zo loopt opdrachtgever A het risico dat hij uiteindelijk zowel aan aannemer B als aan onderaannemer C moet betalen om weer over zijn eigendom te kunnen beschikken.  

Vanwege deze verstrekkende gevolgen, wordt geregeld over het retentierecht geprocedeerd. Vaak spitst de discussie zich toe op de vraag of (onder)aannemer de feitelijke macht uitoefent. In een arrest uit 2013 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden daarover beslist dat (a) de zeggenschap die de (onder)aannemer over de teruggehouden zaak heeft, moet voortvloeien uit haar op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst, (b) dat deze zeggenschap de toegang (door de schuldenaar of rechthebbende) tot de teruggehouden zaak moet betreffen en (c) dat deze zeggenschap exclusief aan de retentor moet toekomen. Dit arrest is, vooral voor zover het de eis van exclusieve toegang (en de zeggenschap daarover) betreft, in de literatuur bekritiseerd. Vooral omdat deze strikte eis tot gevolg heeft dat in heel veel situaties een retentierecht niet kan worden uitgeoefend door de onderaannemer. Zo is betoogd (door P. Vermeij) dat voldoende moet zijn dat de af te geven zaak niet wordt ontruimd, waardoor de zaak door de opdrachtgever niet in gebruik kan worden genomen. De wil van de retentor tot terughouding van de zaak moet aannemelijk zijn. Niet is vereist dat de af te geven zaak volledig is afgesloten door een hek en/of sloten.  

Het Hof Arnhem-Leeuwarden moest begin 2015 weer oordelen over een retentierecht van een onderaannemer. Het Hof heeft kennis genomen van de kritiek op het arrest uit 2013 en heeft daarom ditmaal overwogen dat over de vraag welke vereisten gelden voor een geslaagd beroep op een retentierecht door een (onder)aannemer verschillende opvattingen bestaan en dat duidelijkheid op dit punt met het oog op beslissingen in soortgelijke gevallen gewenst is. Het Hof overweegt om die reden prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft zich hierover nog niet uitgelaten. Tot die tijd bestaat onduidelijkheid over de vraag wanneer (onder)aannemer de feitelijke macht heeft. Dat biedt proceskansen voor de retentor, de schuldenaar en mogelijke derden. In ieder geval totdat de Hoge Raad zich hierover heeft uitgelaten.

 

 
Mr. K. (Kasper)
Straathof
+31 (0)72 515 55 44
+31 (0)72 515 54 93
Straathof@rensenadvocaten.nl
Meer over Kasper